The R&A - Working for Golf
Hindernissen
Interpretaties
Zie regelinhoud
Ga naar paragraaf
17.1
17.1a
17.1a/1
17.1a/2
17.1d
17.1d(2)/1
17.1d(2)/C1
17.1d(3)/1
17.1d(3)/2
17.2
17.2b
17.2b/1

Doel van de regel: Regel 17 is speciaal voor hindernissen. Hindernissen zijn waterpartijen of andere door de Commissie aangewezen gebieden, waarin ballen vaak verloren worden of niet te spelen zijn. Met één strafslag mogen spelers gebruikmaken van één van de specifieke opties om de hindernis te ontwijken en de bal van buiten de hindernis verder te spelen.

17.1
Opties voor een bal in een hindernis
17.1a
Wanneer een bal in een hindernis ligt
17.1a/1
Ball Is in Penalty Area Even if Penalty Area Is Improperly Marked

If stakes defining a body of water as a penalty area are improperly located, a player is not allowed to take advantage of such an error by the Committee.

For example, a ball is found in an expanse of water that, because of the configuration of the ground, is clearly part of the penalty area but is outside the stakes and, thus, technically outside the penalty area. The player may not claim that the ball at rest in the water is in temporary water since a penalty area includes any body of water on the course, whether or not marked by the Committee (see definition of "penalty area").

17.1a/2
Ball Lost in Either Penalty Area or Abnormal Course Condition Adjacent to Penalty Area

If a player's ball is not found in an area where there is a penalty area and an adjacent abnormal course condition, the player must use reasonable judgment (Rule 1.3b(2)) when determining the location of the ball. If, after applying reasonable judgment, it is known or virtually certain that the ball has come to rest in one of those areas but both are equally likely, the player must take penalty relief under Rule 17.

17.1d
Ontwijkopties voor een bal die in een hindernis ligt
17.1d(2)/1
Recommendation That Player Physically Marks Reference Point on Reference Line

Rule 17.1d allows a player to choose a reference point on the reference line that determines the relief area for back-on-the-line relief. Although the player should indicate the point by using an object (such as a tee), he or she may visually select a reference point.

If the player has visually selected a reference point, that point is used to determine the relief area and whether a ball must be dropped again.

The reason for recommending that the reference point is physically marked is that it assists with the relief procedure and determining whether the ball has been dropped in and has come to rest in the relief area (Rule 14.3).

17.1d(2)/C1
Clarification: Reference Point for Back-On-the-Line Relief Must Be Outside Penalty Area

When taking back-on-the-line relief from a penalty area, the reference point (and the relief area) must be outside that penalty area.

(Clarification added 4/2019)

17.1d(3)/1
Player May Measure Across Penalty Area In Taking Lateral Relief

In taking lateral relief where the ball last crossed the edge of a narrow red penalty area, it may be possible for the player to measure the two club-lengths from the reference point across the penalty area in determining the size of the relief area. However, any part of the penalty area within the two club-lengths as measured from the reference point is not part of the relief area.

17.1d(3)/2
Player Drops Ball Based on Estimate of Where the Ball Last Crossed Edge of Penalty Area That Turns Out to Be the Wrong Point

If the point where a ball last crossed the edge of a penalty area is not known, a player must use his or her reasonable judgment to determine the reference point.

Under Rule 1.3b(2), the player's reasonable judgment will be accepted even if that reference point turns out to be wrong. However, there are situations when, before the player has made a stroke, it becomes known that the reference point is wrong and this mistake must be corrected.

For example, in stroke play, it is virtually certain that a player's ball is in a red penalty area. The player, having consulted with the other players in the group, estimates where the ball last crossed the edge of the penalty area. The player takes lateral relief and drops a ball in the relief area based on that reference point.

But before making a stroke at the dropped ball, one of the players in the group finds the player's original ball in the penalty area in a position indicating that the ball last crossed the edge of the penalty area approximately 20 yards closer to the hole than the reference point the player had estimated.

Because this information became known before the player made a stroke at the dropped ball, he or she must correct the error under Rule 14.5 (Correcting Mistake Made in Substituting, Replacing, Dropping or Placing Ball). In doing so, the player must proceed under Rule 17.1 with respect to the correct reference point and may use any relief option under that Rule (see Rule 14.5b(2)).

17.2
Opties na het spelen van een bal vanuit een hindernis
17.2b
Wanneer de bal na het spelen vanuit een hindernis verloren, buiten de baan of onspeelbaar buiten een hindernis is
17.2b/1
Examples of Options for Relief Allowed by Rule 17 .2b

In the diagram, a player plays from the teeing area and the ball comes to rest in the red penalty area at Point A. The player elects to play from the penalty area playing to Point B, which is out of bounds.

The player may take stroke-and-distance relief under Rule 18.2b by using Point A as the reference point for the relief area and will be playing 4.

If the player takes stroke-and-distance relief by dropping a ball back into the penalty area and then decides not to play the dropped ball from where it comes to rest:

  • The player may take back-on-the-line relief anywhere on dotted line X-Y outside the penalty area under Rule 17.1d(2), take lateral relief using point X as the reference point under Rule 17.1d(3) or play another ball from where the last stroke was made outside the penalty area (in this case the teeing area) under Rule 17.2a(2).
  • If the player takes any of these three options, he or she gets one more penalty stroke, for a total of two penalty strokes: one stroke for taking stroke-and-distance relief plus one stroke for taking any back-on-the-line relief, lateral relief or for playing another ball from where the last stroke was made outside the penalty area (in this case the teeing area). Thus, the player will be playing 5 under any of these options.

The player also has the option to take relief outside the penalty area without first dropping a ball in the penalty area, but will still get a total of two penalty strokes for doing so.

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Commissie

De persoon of groep verantwoordelijk voor de wedstrijd of de baan.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 1 (uitleg van de rol van de Commissie).

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Tijdelijk water

Iedere tijdelijke concentratie van water op de grond (zoals regen- of beregeningsplassen of plassen als gevolg van het overlopen van enige waterpartij) die:

  • zich buiten een hindernis bevindt, en
  • zichtbaar is voor of nadat de speler een stand inneemt (zonder daarbij overdreven met zijn of haar voeten druk uit te oefenen op de grond).

Het is niet voldoende als de grond alleen nat, modderig of zacht is of dat er alleen even water zichtbaar is als de speler op de grond stapt; Er moet een concentratie van water zichtbaar blijven voor of nadat de stand is ingenomen.

Bijzonderheden:

  • Dauw en rijp zijn geen tijdelijk water.
  • Sneeuw en natuurlijk ijs (behalve rijp) zijn losse natuurlijke voorwerpen of, wanneer ze op de grond liggen, tijdelijk water, naar keuze van de speler.
  • Gefabriceerd ijs is een obstakel.
Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Commissie

De persoon of groep verantwoordelijk voor de wedstrijd of de baan.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 1 (uitleg van de rol van de Commissie).

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Bekend of praktisch zeker

De maatstaf om te bepalen wat er met de bal is gebeurd – bijvoorbeeld of de bal tot stilstand is gekomen in een hindernis, of hij is bewogen of waardoor hij is bewogen.

Bekend of praktisch zeker betekent meer dan alleen mogelijk of waarschijnlijk. Het betekent dat:

  • er afdoende bewijs is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden met de bal van de speler, zoals wanneer de speler of andere getuigen het hebben zien gebeuren, of
  • hoewel er een geringe mate van twijfel is, alle redelijkerwijs beschikbare informatie aantoont dat het ten minste voor 95% zeker is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

"Alle redelijkerwijs beschikbare informatie" omvat alle informatie die de speler kent of weet en alle andere informatie die hij of zij met redelijke inspanning en zonder onredelijk oponthoud kan verkrijgen.

 

Interpretation Known or Virtually Certain/1 - Applying "Known or Virtually Certain" Standard When Ball Moves

When it is not "known" what caused the ball to move, all reasonably available information must be considered and the evidence must be evaluated to determine if it is "virtually certain" that the player, opponent or outside influence caused the ball to move.

Depending on the circumstances, reasonably available information may include, but is not limited to:

  • The effect of any actions taken near the ball (such as movement of loose impediments, practice swings, grounding club and taking a stance),
  • Time elapsed between such actions and the movement of the ball,
  • The lie of the ball before it moved (such as on a fairway, perched on longer grass, on a surface imperfection or on the putting green),
  • The conditions of the ground near the ball (such as the degree of slope or presence of surface irregularities, etc), and
  • Wind speed and direction, rain and other weather conditions.

Interpretation Known or Virtually Certain/2 - Virtual Certainty Is Irrelevant if It Comes to Light After Three-Minute Search Expires

Determining whether there is knowledge or virtual certainty must be based on evidence known to the player at the time the three-minute search time expires.

Examples of when the player's later findings are irrelevant include when:

  • A player's tee shot comes to rest in an area containing heavy rough and a large animal hole. After a three-minute search, it is determined that it is not known or virtually certain that the ball is in the animal hole. As the player returns to the teeing area, the ball is found in the animal hole.
  • Even though the player has not yet put another ball in play, the player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b - What to Do When Ball is Lost or Out of Bounds) since it was not known or virtually certain that the ball was in the animal hole, when the search time expired.
  • A player cannot find his or her ball and believes it may have been picked up by a spectator (outside influence), but there is not enough evidence to be virtually certain of this. A short time after the three-minute search time expires, a spectator is found to have the player's ball.

The player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b) since the movement by the outside influence only became known after the search time expired.

Interpretation Known or Virtually Certain/3 - Player Unaware Ball Played by Another Player

It must be known or virtually certain that a player's ball has been played by another player as a wrong ball to treat it as being moved.

For example, in stroke play, Player A and Player B hit their tee shots into the same general location. Player A finds a ball and plays it. Player B goes forward to look for his or her ball and cannot find it. After three minutes, Player B starts back to the tee to play another ball. On the way, Player B finds Player A's ball and knows then that Player A has played his or her ball in error.

Player A gets the general penalty for playing a wrong ball and must then play his or her own ball (Rule 6.3c). Player A's ball was not lost even though both players searched for more than three minutes because Player A did not start searching for his or her ball; the searching was for Player B's ball. Regarding Player B's ball, Player B's original ball was lost and he or she must put another ball in play under penalty of stroke and distance (Rule 18.2b), because it was not known or virtually certain when the three-minute search time expired that the ball had been played by another player.

Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Tee

Een voorwerp dat wordt gebruikt om een bal op te plaatsen om vanaf de afslagplaats te spelen. Een tee mag niet langer zijn dan 4 inches (101,6 mm) en moet voldoen aan de regels voor uitrusting.

Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Clublengte

De lengte van de langste club van de 14 (of minder) clubs die de speler bij zich heeft tijdens de ronde (zoals toegestaan in Regel 4.1b(1)) anders dan een putter.

Bijvoorbeeld als de langste club (anders dan een putter) die een speler bij zich heeft tijdens een ronde een driver is van 43 inch (109,22 cm), dan is 43 inch (109,22 cm) de clublengte voor die speler voor die ronde.

Clublengtes worden gebruikt om de afslagplaats te bepalen op de hole die wordt gespeeld en de afmeting van de dropzone vast te stellen als de speler een belemmering ontwijkt volgens een Regel.

 

Interpretation Club-Length/1 - Meaning of "Club-Length" When Measuring

For the purposes of measuring when determining a relief area, the length of the entire club, starting at the toe of the club and ending at the butt end of the grip is used. However, if the club has a headcover on it or has an attachment to the end of the grip, neither is allowed to be used as part of the club when using it to measure.

Interpretation Club-Length/2 - How to Measure When Longest Club Breaks

If the longest club a player has during a round breaks, that broken club continues to be used for determining the size of his or her relief areas. However, if the longest club breaks and the player is allowed to replace it with another club (Exception to Rule 4.1b(3)) and he or she does so, the broken club is no longer considered his or her longest club.

If the player starts a round with fewer than 14 clubs and decides to add another club that is longer than the clubs he or she started with, the added club is used for measuring so long as it is not a putter.

Clarification - Meaning of “Club-Length” When Playing with Partner

In partner forms of play, either partner’s longest club, except a putter, may be used for defining the teeing area or determining the size of a relief area.
(Clarification added 12/2018)

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Clublengte

De lengte van de langste club van de 14 (of minder) clubs die de speler bij zich heeft tijdens de ronde (zoals toegestaan in Regel 4.1b(1)) anders dan een putter.

Bijvoorbeeld als de langste club (anders dan een putter) die een speler bij zich heeft tijdens een ronde een driver is van 43 inch (109,22 cm), dan is 43 inch (109,22 cm) de clublengte voor die speler voor die ronde.

Clublengtes worden gebruikt om de afslagplaats te bepalen op de hole die wordt gespeeld en de afmeting van de dropzone vast te stellen als de speler een belemmering ontwijkt volgens een Regel.

 

Interpretation Club-Length/1 - Meaning of "Club-Length" When Measuring

For the purposes of measuring when determining a relief area, the length of the entire club, starting at the toe of the club and ending at the butt end of the grip is used. However, if the club has a headcover on it or has an attachment to the end of the grip, neither is allowed to be used as part of the club when using it to measure.

Interpretation Club-Length/2 - How to Measure When Longest Club Breaks

If the longest club a player has during a round breaks, that broken club continues to be used for determining the size of his or her relief areas. However, if the longest club breaks and the player is allowed to replace it with another club (Exception to Rule 4.1b(3)) and he or she does so, the broken club is no longer considered his or her longest club.

If the player starts a round with fewer than 14 clubs and decides to add another club that is longer than the clubs he or she started with, the added club is used for measuring so long as it is not a putter.

Clarification - Meaning of “Club-Length” When Playing with Partner

In partner forms of play, either partner’s longest club, except a putter, may be used for defining the teeing area or determining the size of a relief area.
(Clarification added 12/2018)

Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Strokeplay

Een spelvorm waarbij een speler of partij het opneemt tegen alle andere spelers of partijen in de wedstrijd.

In de reguliere vorm van strokeplay (zie Regel 3.3):

  • Is de score van een speler of partij voor een ronde het totaal aantal slagen dat hij of zij nodig heeft om op iedere hole uit te holen (gespeelde slagen en opgelopen strafslagen inbegrepen).
  • Is de winnaar de speler of partij die alle rondes met in totaal het minst aantal slagen uitspeelt.

Andere vormen van strokeplay  met andere methodes om de score te bepalen zijn Stableford, Maximum Score en Par/Bogey (zie Regel 21).

Alle vormen van strokeplay  kunnen worden gespeeld in zowel individuele wedstrijden (iedere speler speelt voor zichzelf) als in wedstrijden met partijen of partners (Foursomes of Four-Ball).

Bekend of praktisch zeker

De maatstaf om te bepalen wat er met de bal is gebeurd – bijvoorbeeld of de bal tot stilstand is gekomen in een hindernis, of hij is bewogen of waardoor hij is bewogen.

Bekend of praktisch zeker betekent meer dan alleen mogelijk of waarschijnlijk. Het betekent dat:

  • er afdoende bewijs is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden met de bal van de speler, zoals wanneer de speler of andere getuigen het hebben zien gebeuren, of
  • hoewel er een geringe mate van twijfel is, alle redelijkerwijs beschikbare informatie aantoont dat het ten minste voor 95% zeker is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

"Alle redelijkerwijs beschikbare informatie" omvat alle informatie die de speler kent of weet en alle andere informatie die hij of zij met redelijke inspanning en zonder onredelijk oponthoud kan verkrijgen.

 

Interpretation Known or Virtually Certain/1 - Applying "Known or Virtually Certain" Standard When Ball Moves

When it is not "known" what caused the ball to move, all reasonably available information must be considered and the evidence must be evaluated to determine if it is "virtually certain" that the player, opponent or outside influence caused the ball to move.

Depending on the circumstances, reasonably available information may include, but is not limited to:

  • The effect of any actions taken near the ball (such as movement of loose impediments, practice swings, grounding club and taking a stance),
  • Time elapsed between such actions and the movement of the ball,
  • The lie of the ball before it moved (such as on a fairway, perched on longer grass, on a surface imperfection or on the putting green),
  • The conditions of the ground near the ball (such as the degree of slope or presence of surface irregularities, etc), and
  • Wind speed and direction, rain and other weather conditions.

Interpretation Known or Virtually Certain/2 - Virtual Certainty Is Irrelevant if It Comes to Light After Three-Minute Search Expires

Determining whether there is knowledge or virtual certainty must be based on evidence known to the player at the time the three-minute search time expires.

Examples of when the player's later findings are irrelevant include when:

  • A player's tee shot comes to rest in an area containing heavy rough and a large animal hole. After a three-minute search, it is determined that it is not known or virtually certain that the ball is in the animal hole. As the player returns to the teeing area, the ball is found in the animal hole.
  • Even though the player has not yet put another ball in play, the player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b - What to Do When Ball is Lost or Out of Bounds) since it was not known or virtually certain that the ball was in the animal hole, when the search time expired.
  • A player cannot find his or her ball and believes it may have been picked up by a spectator (outside influence), but there is not enough evidence to be virtually certain of this. A short time after the three-minute search time expires, a spectator is found to have the player's ball.

The player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b) since the movement by the outside influence only became known after the search time expired.

Interpretation Known or Virtually Certain/3 - Player Unaware Ball Played by Another Player

It must be known or virtually certain that a player's ball has been played by another player as a wrong ball to treat it as being moved.

For example, in stroke play, Player A and Player B hit their tee shots into the same general location. Player A finds a ball and plays it. Player B goes forward to look for his or her ball and cannot find it. After three minutes, Player B starts back to the tee to play another ball. On the way, Player B finds Player A's ball and knows then that Player A has played his or her ball in error.

Player A gets the general penalty for playing a wrong ball and must then play his or her own ball (Rule 6.3c). Player A's ball was not lost even though both players searched for more than three minutes because Player A did not start searching for his or her ball; the searching was for Player B's ball. Regarding Player B's ball, Player B's original ball was lost and he or she must put another ball in play under penalty of stroke and distance (Rule 18.2b), because it was not known or virtually certain when the three-minute search time expired that the ball had been played by another player.

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).